Naar de hoofdinhoud
Alle notities
Persönlich

Duitsland verliest tempo. En Papenburg bouwt schepen die je nergens anders vindt.

Een column beschrijft nuchter hoe Duitsland achterop raakt. Ze heeft gelijk. En toch loopt er aan de Ems wereldklasse van stapel. Wat een stad tegen de grote trend kan doen.

Sabrina Wendt

Deze week heb ik een column gelezen die me niet meer losliet. Henrik Müller, hoogleraar economie in Dortmund, beschrijft daarin nuchter en onomkoopbaar hoe Duitsland achterop raakt. Sinds de pandemie een van de zwakste ontwikkelingen van alle volgroeide economieën. De productiviteit hapert, de industrie krimpt, het welvaartsniveau dobbert richting de nullijn. De VS groeien, de eurozone groeit, Duitsland staat stil.

Hij heeft gelijk. En toch heb ik tijdens het lezen de hele tijd uit het raam van mijn eigen bedrijfsbezoek van deze week gekeken en gedacht: kom eens langs, beste meneer Müller. Kom naar Papenburg.

De statistiek ziet het grote geheel, niet het bijzondere

Müller schrijft een zin over de Duitse industrie die pijn doet. De autobouwers hebben het zwaar, de toeleveranciers hebben het zwaar, en de chemie krijgt de energieprijzen voor de kiezen. De scheepsbouw noemt hij bijna in het voorbijgaan. En juist daar ben ik thuis.

Want wat hier aan de Ems ontstaat, komt in geen enkele productiviteitsstatistiek goed naar voren. Een van de grootste cruiseschepen ter wereld, gebouwd in een stad met 37.000 inwoners, midden in het landelijke Emsland. Dat is geen massaproduct dat China goedkoper kan maken. Dat is toegevoegde waarde die bijna niemand ter wereld kan leveren. Hoogcomplex, met de hand gemaakt, geëxporteerd over de halve aardbol.

Het grote cijfer ziet Duitsland in zijn achteruit. De kleine, concrete waarheid is: op sommige plekken loopt wereldklasse van stapel. Papenburg is zo’n plek.

Müllers vraag is de juiste

Müller stelt een vraag die me al dagen bezighoudt. Waarom zouden goed opgeleide mensen juist hier willen werken en hun leven opbouwen, als ze elders van de wind in de rug profiteren? Wie draagt dan bij aan de sociale stelsels, wie begint een bedrijf, wie neemt anderen mee?

Dat is precies de juiste vraag. Alleen beantwoord je die niet in Berlin. Je beantwoordt die in Papenburg, straat voor straat, bedrijf voor bedrijf.

Een ingenieur komt niet hierheen omdat de landelijke groei 0,5 procent is. Hij komt omdat hij hier een baan vindt die hem uitdaagt. Omdat zijn kinderen een plek in de kinderopvang krijgen. Omdat zijn vrouw werk vindt en ze ‘s avonds samen in een stad zijn waar iets te doen is. De kwaliteit van een vestigingsplaats wordt ter plekke bepaald. Daar heb ik invloed, en die wil ik gebruiken.

Wat een stad tegen de grote trend kan doen

Müller noemt de hefbomen op federaal niveau. Onderwijs, onderzoek, groeikapitaal, weg met de Europese hindernissen. Allemaal terecht, allemaal niet mijn portefeuille. Mijn portefeuille is het niveau daaronder, en dat is niet klein.

Vakmanschap in plaats van alleen handen. Müller meet productiviteit als toegevoegde waarde per hoofd. Wie wil dat elke medewerker meer waarde creëert, begint bij de opleiding. Een stad die school, opleiding en bijscholing serieus neemt en nauw met de bedrijven verbindt, tilt de productiviteit van onderaf op. Dat is geen hefboom uit Berlin, dat is een Papenburger hefboom.

Het netwerk, niet alleen de naam. Als het over scheepsbouw gaat, denkt iedereen aan die ene grote hal. Het echte productiviteitswonder zijn de vele kleine toeleveranciers eromheen, hoge precisie uit familiebedrijven, die bijna niemand anders zo levert. Dit netwerk is kwetsbaar. Gaat er een bedrijf verloren, dan gaat er vakmanschap verloren dat je niet terugkoopt. Een stad die dit weefsel beschermt, met korte lijnen en betrouwbare procedures, houdt meer productiviteit vast dan welke mooie toespraak ook.

Ruimte, voordat de investeerder verder trekt. Wie in Papenburg wil groeien, mag het antwoord niet pas krijgen als de beslissing al lang elders is gevallen. Groei heeft grond nodig die klaarligt, geen grond die nog wordt onderzocht. Dat is vestigingsbeleid met voorsprong in plaats van achteraanlopen.

Opbouwen, niet klagen

In meer dan 25 jaar werkervaring, waarvan 8 jaar in de economische ontwikkeling van deze stad, heb ik geleerd dat vestigingsbeleid niet vanzelf gaat. Het is dagelijks werk. De column van Müller beschrijft wat er gebeurt als je het laat versloffen. Over vijf, tien jaar verliest een land zijn substantie.

Juist daarom begin ik niet bij de klacht, maar bij wat er al is. Papenburg heeft een industrie waar anderen ons om benijden. Een haven die werk en toegevoegde waarde betekent. Mensen die iets kunnen. Die kracht vieren we te weinig en verdedigen we te zacht.

De grote trend keer ik niet. Maar ik kan er wel voor zorgen dat Papenburg aan de goede kant daarvan staat. Een mogelijkmaker is niet wie de neergang het best beschrijft. Een mogelijkmaker is wie het bestaande sterk maakt en het volgende mogelijk maakt.

Papenburg kan meer. En Papenburg kan wat maar weinig steden van deze grootte kunnen.

Wat maakt Papenburg voor jou sterk, en waar laten we potentieel liggen? Schrijf me gerust, per e-mail of via het contactformulier. Ik lees mee en ik antwoord.